August 14, 2006

Pillow Book: Slagroom en gouden lepeltjes

Pillow Book, 2006-08-14

Voor het eerst heb ik TV. Digitaal, een proefabonnement. TV is verslavend. Ik kijk verbaasd naar alle programma’s.

Sinds ik de laatste keer keek is TV opeens levens gaan repareren. We wisten eigenlijk niet hoeveel er fout ging. Mama’s moesten worden ingewisseld. Vaders bleken luie varkens, kinderen in close-up gefrustreerde monsters, huizen vuile wrakken. Bij nader inzien doet iedereen doet het slecht. Het is om drempelvrees van te krijgen. Zouden we nog wel durven leven? ’t Houdt je op een perverse manier verstijfd achter het scherm.


In de Islam is er een pad uitgestippeld, slipvrij en foutproof. Doe dit, geloof dat en jou overkomt niets. En de dood, ach, je gaat het paradijs in, man of vrouw, er zullen 70 x 70 maagden voor je klaarstaan. Wij hier hebben TV. Straks is er alleen nog maar eenuwige sneeuw.

Wie weet, misschien staan er bij ons ook maagden klaar, als verrassingsfeestje van God. “Ik ben er toch nog, jongens”, zegt hij dan. En er wordt slagroom en gouden lepeltjes bij de rijstpap uitgedeeld.

Sprookjes: Decor Lazio

Sprookjes: Décor : Lazio, herfst, betrekkelijk recent


De kwetsbaarheid van Elise begrijp ik nu pas. Hoe het voor haar moet zijn geweest als studente – amper 24 zoals ik er nu 26 word. Hoe ze vanaf het begin feilbaar was tegenover haar minnaar. Waar eigenlijk alles nog perfect hoort te zijn van beide kanten. Ik stel me voor hoe ze zich in zijn lessen moet hebben gevoeld. Haar geheim lief voor de klas, en zij duidelijk de minder capabele. Tegenover Vercammen dan nog – mogelijk de strengste van the lot, met zijn bijna Maoïstisch harde kritiek. En daar zit ik dan, in een provinciestad bij Rome, en stel me voor hoe hij me les zou geven. Ik mag er niet aan denken.

De hotelkamer ruikt een beetje naar hem. Het doet me de geur van mijn eigen kamer missen, thuis. Ik voel me, nu dit alles meer blijkt dan pure frivoliteit, licht bedreigd. De neiging enerzijds dichterbij te komen, want ik heb behoefte aan warmte, anderzijds is het zo onwennig met twee dat ik er zo vandoor zou gaan.

Zoals vanmorgen. Wakker worden in de lichte claustrofobie van de hotelkamer. Een vreemd lichaam naast me dat veel te dichtbij voelt en de herinnering aan gisteren kloppend in mijn hoofd. Ik hou me slapend, zodat ik hem niet moet kussen, strelen, hij wil misschien zelfs meer. Door mijn wimpers bekijk ik hem stiekem. Zijn lijf is compact, een voetballerslijf. Ik zie graag de David van Michelangelo. Hier krijg ik wat schrik van. Hij heeft een olijfhuid, veel haar op zijn armen, maar zijn borst week en bijna glad.

Meer dan pure frivoliteit en dus daarom juist de neiging om dat te respecteren. Juist de neiging om die rol te spelen. Juist de hardheid nog even in stand te houden. Gewoon de hardheid van diamant of parels, formeel en schitterend. En proper. Het schoot bij mij al niet over met de aantrekking. Maar dat wil hij juist niet, hij wil dichterbij.

___

Ze zijn compleet anders. Dirk is een man die zacht met me is, wanneer ik lach met mijn ogen dicht me kust. Geen oorlogen. Ik voel haast geen angst. Hij heeft toegegeven dat hij lichtjes manipulatief is. Als ik erop let moet het wel lukken. Verder – qu’en sais-je? Misschien is hij toch wat ik dacht. Misschien - ach, heeft geen zin om daarover te denken.

Ik kijk over de huizen van R en herinner me hoe mooi het was die aardewerken kleuren van Italië voor het eerst te zien. Hoe mooi erop terug te kijken, op die eerste keer. De meisjes van de stad hangen samen met me over de reling van het marktplein en kraken met Italiaanse terracotta stemmetjes, braken het gesnater over de stad heen zonder ze te zien. In het frivole van hun gekwek hoor je al het geklaag van de verdorde besjes die ze binnen 60 jaar zijn, bes of dood. Doordat het buitenland is, kan ik me de illusie veroorloven dat ik niet sterf. Er staan aluminium dakvensters tussen de gebakken pannen. Binnenkort is het te herkenbaar en ga ik ook hier dood.

___

Hij ruikt als een Italiaan, Dirk. Die eerste keren was zijn geur me te vreemd, te sterk, te bronstig mannelijk. Ik rook hem en deinsde wat terug. Gisteren dacht ik, ach verdomme, het moet toch gebeuren, waarom niet nu? Niet het beste idee. Maar de geur wolkt me tegemoet uit de kleerkast en ik kan ertegen – als een vertrouwd laken waarvan je weet hoe het voelt – het verbaast me. Aan zijn lach ben ik nog niet gewend. Hij lacht constant. Zelfs als hij zich niet goed voelt. Dan wordt het een vreemde lach. Ik lach dan niet, doe hoogstens alsof er niets is. Ik zal wel wennen.

Zijn lach is bijna nooit helemaal echt. Hij lacht ook als hij spelletjes speelt (ik hoop dat dat eruit groeit). Of ik Ivo De Leeuw kende. Ja. Ja, dat had Ivo hem gezegd (maar hij vraagt het toch). Wat Ivo hem gezegd had. Lange benen, blond, opvallend. En dan nadenken en “Wild”. Hoera. Hij lachte. Zijn lach is echter wanneer hij gemeen is. Ik had bijna gemeender geschreven. Gemener – gemeender. Het is nog zijn soort humor ook.

Rewind één week terug. Yolande zegt me te gaan en is opgewonden als een speelse 25jarige, als ik. Dat ze zulke dingen ook had gedaan zelf. Dat ze ervan had genoten. Dat ik me moet voorbereiden en me gedragen als een prinses. Dat ik mijn best zou doen (tienermeisjesgegiechel, 1 van 60, 1 van 25). Als een prinses. Ze laat het klinken naar Anita Ekberg in La Dolce Vita. Misschien is het dat ook. Ik merk het dinsdag wel.

We merken het dinsdag wel. De zin duikt als een subtiel Leitmotiv op, maar soms houden we ons er niet aan, hij net zo goed als ik. Als dat zo doorgaat gaan we mekaar nog echt graag zien, zegt hij, stilstaand bij een stuk groeve aan de expressweg, en na een geschrokken stilte zeg ik dat we zullen zien wat er komt, het klinkt geruststellend hoop ik, en hij stemt in. Die avond begin ik een zin met “Lief” en het blijft in de lucht hangen als een bom. Heb ik het uit gewoonte gezegd? Hij verstrakt en doet alsof er niets aan de hand is. Ik voel me op mijn plaats gezet. Hij neemt blijkbaar liever zelf het initiatief, houdt ervan dat ik het laten slepen tussen ons, twijfel, probeer en weer terugstap. Ergens komt dat me uit, want zo ben ik vaak. Het vraagt wennen. Ik merkte dat hij mij bruusk vond, gisteren. Ik bedoelde het gewoon vrolijk. Ik bèn uitgelaten. Maar misschien heeft hij gelijk. Op sommige vlakken ben ik misschien al zo aangepast dat ik bruuskeer.

____

Zit op het marktplein in R. Valavond.
SMSen van W.
Het is voorbij. Als dit blijft duren komt het ook nooit meer terug. Zijn tegenovergestelde manier van me hanteren. W forcerend, op zoek naar grenzen, zover als hij me kan krijgen. Behendig. Bijna een spel, maar subtieler en gracieuzer. Bijna-pijn, bijna-marmer op graniet in plaats van vlees op vlees, graniet op mijn huid. Bijna-object en duwend tot bijna het breekpunt. En soms ervoorbij.

Iets in mij vraagt als een kind, trekkend aan de mouw van een volwassene, om dit als onherroepelijke afsluiting te mogen zien, alsjeblieft, nooit een weg terug daarheen, want het is prettig om niet op mijn qui-vive te moeten zijn, misschien kan dit nu veilig zijn.

Wildheid is mijn natuur, dat is waar. Ivo De Leeuw had gelijk – maar alleen als er geen reden tot angst is. Hij moet het gemerkt hebben zonder het ooit te zien. Soms barst ik los, kan zelf niet eens voorspellen wanneer. Is dat nu fout? Je zou het gaan geloven. Te. Wild. Emile zei het soms in bed, en aan de punten tussen zijn woorden kon ik horen dat het hem eigenlijk irriteerde.

Alsof een meisje als ik zou mogen/ moeten/ willen hopen op een partner voor het leven. Yolande was wellicht nét doorsnee genoeg, maar ik?

Zware onweerlucht. Heb te weinig/ onregelmatig/ naar Italiaanse tijdstippen aangepast gegeten. Net een Campari soda besteld, hij zet het neer op zo’n klein servet, ernaast een chipspotje, met als grote voordeel dat ik weet wat Campari soda in het Italiaans is, nl. hetzelfde.

Het plein gonst. De alcohol begint heel stilaan naar mijn hoofd te glijden. Het plein brult.

De Italianen zijn zo geruststellend in hun conservatieve gewoonten. Angelo en zijn vrienden komen mekaar “puur per toeval” tegen om 5 voor 7, zijn vrouw perfect gecoördineerd in het beige van haar haar en huid, het roze van lippen, jasje, half topje, tas, horloge, en het zwart van haar andere topjeshelft in haar uitgegroeide haarwortels.

___

Op een hotelkamer in Italië. Elke hotelkamer is hetzelfde. Elke in de categorie waarin ik zit. Crew-categorie. Gast nu, op niet al te hoog niveau. Toerist in voor toeristen goede hotels.

Een focaccia met vulling gegeten. In het meest gebroken Italiaans erover praten met het meest ongerijmde blauw in Italiaanse ogen, in mijn achterhoofd licht triest over hoe Dirk de Indische aanhaalt puur zonder aanleiding. Ze doet hem niets, het klinkt te berekend. Ik zie hem kijken naar mijn reactie. Daarom zegt hij het. Dat hoort niet zo. Dat doe je anders, je m’imagine.

Hij heeft zin in me, zegt hij, en na een tijd zeg ik dat ik zin in hem heb. Wat ik denk en voel is eigenlijk dit: Ik heb zin maar niet in jou. Ik ben bloednerveus en na een dag afwezigheid voel je een stuk minder dichtbij dan in de auto gisteren.
___

Ave Caesar, morituri te salutant. En ik denk “ach, dat zijn we allemaal”. Niet zonder eerst een flinke initiële schrik. En meteen erachter de gedachte “Ik wil niet sterven”.

Vandaag dag 1 samen. Hij moet niet meer naar voordrachten luisteren. Het zal me benieuwen. Of we dit zwanenballet van beleefdheid blijven volgen. Dan bijna-sex, en dan stopt de tederheid. Slaap jij altijd alleen? Ik niet. Ik heb een éénpersoonsbed genomen omdat ik niet meer ver weg wou liggen.

Ik vraag het hem toch, na een namiddag weer wennen aan mekaar en dan, zacht, kussen en mekaar dingen vragen en vertellen, aarzelend van beide kanten. Hoeveel kosten zijn er aan deze man? Hij zegt zin te hebben in met me vrijen, voor de zoveelste keer, en ik vraag me af hoe vaak hij het nog moet zeggen om mijn laatste resistentie te breken en het W/ Ilse- verhaal te doen. Hij zegt me dat hij moet oppassen of hij hecht zich aan me, en ik denk “zeg je eigenlijk dat ik moet oppassen om me niet aan je te hechten?” Hij streelt me en ik vraag me af of hij een jonge nog onbekende vrouw streelt, of mij, en echt wil weten wie ik ben. Of hij vakantie streelt, of een te ontdekken mysterie, of een vervanging voor zijn vrouw: puzzelstukje weg, puzzelstukje nieuw.

Wat Ann zal vinden. Wat Yolande zal vinden. Zij zal het schitterend vinden. Haar verhaal over Roger en zij, opulente feesten toen ze op het kasteel d’Ursel woonden, dan weer geldgebrek en warmoes plukken in de velden.

In Castel del Tora. Of zoiets. Wat maakt het nog uit. Ik heb teveel salami en kaas en vers wit Italiaans brood gegeten en het zwelt in mijn maag tussen de Ferrarelle. Ik zit aan het stuwmeer en mijn rug brandt-bruint in de zon. Schrijven. Bellen blazen. Zitten. Niks meer. Hij heeft moeite om mij gerust te laten. Als een kind naar aandacht.

Donkere kleuren. Donkere dichte bosheuvels. Stroef woud. Aarde. Hij heeft al gezegd dat hij dit het mooiste stukje Italië vindt. Het stoot me af. Ik vind het niet eens Italiaans. Duitsland. Donkere zon. Zelfs het wit van de huizen is dof bijna-wit. Als een voortuin van de hel. De Romeinen hadden zo’n stugge donkere god van de hel, een smid met ruwe handen. Een vent in dierenvellen met dik donker haar, zwart van het vuur. Blacksmith, zeggen de Engelsen. Hier in dit stuwmeer trekt hij me de dood in.

In een voorstad van Rome. Moe van de pittoreskheid. Hij bezingt elke andere heuvel. Ik kan niet meer. Ik wil niet meer kirren voor een vergezicht. Moe van het rijden. Verliefd? Te moe om erover na te denken. Geen zin om na te denken. Eten slapen vliegtuig stilte. Moe. Plastic eten. Solo slapen. Stilte.

August 13, 2006

Sprookjes : Blauwbaard

Sprookjes: Blauwbaard

’s Ochtends is het al kwart na tien wanneer ze uiteindelijk uit bed komt. Het is april, een warme april. Ze werd wakker van zijn huid, of zijn geur, ze weet het al niet meer, gedoucht fris op slaapwarm. Hij is al aangekleed. Hij heeft haar gekust, vier vijf keer gedempt lachend en dan dieper, zachter, zo zacht dat ze glimlacht in haar slaap. Het is bijna een reclamespot verdomme, dat mannen echt zo konden doen. Ze kan haar eigen glimlach niet inhouden, reikt naar hem toe met haar ogen dicht, wil nog kussen en hij geeft er haar, dekt haar dan toe met het dekbed, halfkordaat halfteder, ze valt terug in slaap uit pure gelukzaligheid, zelfs wanneer de wekker gaat om 9 uur.

Wanneer ze opstaat is hij weg, er ligt een vierkant briefje op tafel – ga straks naar de bakker brunchen samen x. Zijn hanepoten, alsof hij krast op papier. Ze is ervan gaan houden. Ze kijkt rond. Wit, ecru, groot, design. Ze is hier nooit alleen en het lijkt wel alsof de muren haar nu in de gaten houden, er wantrouwen uit dampt, als een groot huisdier is het appartement onwennig over haar. Hijzelf houdt haar ook nog altijd wat op afstand. Gaat wel over, sust ze zichzelf. Ze denkt aan vanmorgen, glimlacht. Kijkt rond. Hoe moeilijk kan het nu zijn om je ergens thuis te voelen als je er werk van maakt?

Ze kijkt in de koelkast, er staat niets in dat haar iets zegt, het is zijn koelkast. Soms belt hij onderweg naar de supermarkt of ze iets wil, maar waarom zou ze, de helft van hun afspraken gaat niet door, ze wil eerst helemaal in zijn leven staan. Ze vindt het bovendien vreemd om naar haar dingen te vragen, cola light, hij zou waarschijnlijk met gewone aankomen, dan moet ze uitleggen dat ze daarvan buikpijn krijgt, en hij zou denken dat ze zich aanstelt, laat al maar. Op een ochtend als vanmorgen merkt ze het weer. Ze hoeft zijn yoghurt niet, high-tech met actieve bifidustoestanden, en geitenkaas en boerenboterhammen met kaas. Ze houdt van grof brood, maar ’s avonds. ’s Ochtends wil ze fruit of koffie of een eitje, licht spul, niet weinig maar licht. Ze kijkt naar de zetel. Probeert hoe het zit zonder hem ernaast, staat weer op, zet een koffie in de espressomachine. Je legt er een minikoffiefilter in en hij zet een koffie voor je met schuim. Het ziet eruit als een Italiaanse koffie en smaakt er niet echt naar, maar het is wel goeie marketing. Terug naar de zetel. Haar voeten in de zetel in kleermakerszit. Ze hangt een beetje om zichzelf een thuisgevoel te forceren. Koffie naast de zetel zodat hij niet kan omvallen en vlekken maken op de stof, god forbid. Ze voelt zich al behaaglijker, het begint stilaan te kloppen.

Ze zet zijn tv aan - bij alles denkt ze dat. Niet een tv maar de zíjne, zijn koffiemachine, zijn bed. Met één oog op het beeld staat ze op terwijl ze nog eens in de koelkast kijkt en weer niets vindt. Snoept dan maar een handje special K, één cornflake per keer. Er koeken stukjes tegen haar tanden aan, ze eet nog een handje, slenterend van zetel naar aanrecht. Dan vouwt ze de flappen zorgvuldig op dezelfde manier terug dicht en zet de doos net zo terug. Dat doet ze met alles, het zo onaangeroerd mogelijk laten. Hij zegt erg op zijn privacy gesteld te zijn, “ik heb mijn tijd nodig”, zegt hij, en zijn thuis is helemaal hij, ze ruikt hem overal. De dingen hebben hun vaste plaats, hij hangt daaraan, en dus is hij wat verstoord als hij merkt dat ze er geweest is en het een beetje anders ligt. Ze vraagt zich soms ook wel af of hij iets te verbergen heeft, haar misschien. Hij schaamt zich misschien een beetje voor haar, zo jong, een cultuurmeisje noemt hij haar. Ze zapt voorbij kooptv, kindertv, testbeeld. Het journaal wordt herhaald maar dat hebben ze gisteren samen bekeken. Alleen op het lifestylekanaal is zo vroeg iets te zien, een programma over huismakeovers.

Uit zijn snoepkast haalt ze een klein stukje chocola en neemt dan een appel en chocola bij zich in de zetel, snijdt de appel met een klein beetje chocola op elk stukje. Ze staat nog even op, zet nog een kop koffie met de oude filter – het eerste kopje is haar eigenlijk toch te sterk. Het smaakt als een snoepontbijt en staat haar wel aan eigenlijk, ze klapt haar laptop open en zit nog wat te schrijven. Tussendoor staat ze op – hoe komt het toch dat ze zo rusteloos is – bladert in de boeken die op de salontafel liggen, legt ze daarna terug gerangschikt van groot naar klein terug, de stapel netjes evenwijdig met de hoeken van de tafel.

Ze ziet de andere stapel weer liggen op zijn tafel, een hoop papieren eigenlijk, ze zijn een beetje rommelig en dat maakt ze op de een of andere manier verleidelijker. Er zit misschien een stukje van hem in. Ze kijkt ernaar. Bladert erin. Ze vraagt zich af wat ze doet, zo is ze niet, ze zou het niet mogen doen. Haar hart gaan steeds harder kloppen tot haar handen trillen, klop-klop, mag-niet, mag-niet. En toch kijkt ze verder, wie weet wat erin zit, de rush van iets ontdekken, vooral de geruststelling van niets vinden, alleen een stukje van hem zou ze willen, de man is zo’n mysterie.

Ze opent niets, probeert de papieren net zo terug op te stapelen zoals ze lagen, ze mag er niet aan denken dat hij het zou merken. Rekeningen, huurcontract, loonbrief, dan een enveloppe waar op de achterkant geschreven is, iets persoonlijks, aanspreking met zijn naam in verkleinwoord, "Mijn Wtje" – zo heeft zijzelf hem nog nooit durven noemen – nu springt mijn hart eruit, denkt ze, haar blik even naar beneden, haar harteklop is te volgen op haar borsten. Dan heft ze de enveloppe weer, checkt de aanspreking, haar ogen springen naar onderaan, “uw vrouwtje” staat er, hoe kan dat nu, zij is hier toch (nog sneller kloppen) en dan denkt ze in overdrive hij is toch niet getrouwd zeker? Haar ogen glijden over de boodschap, zo teder dat ze vanbinnen kapotscheurt. Hij hoeft niet eens getrouwd te zijn, wat maakt het uit of het getrouwd of liefde is met zo’n woorden, dat moet wel fucking liefde zijn, en wat doet zij hier dan, anderhalf jaar al, fuck it, hoe kan dat nu.

Ze legt de enveloppe neer en kijkt ernaar. Bedenkt zich dan, brengt hem weer dichtbij haar ogen om de datum checken, wie weet is het een misverstand, ze trilt zo dat hij tussen haar vingers valt, ze raapt hem weer op, kijkt. Het is een rekening van deze maand, nog niet eens opengemaakt. Right. Ze legt de enveloppe weer terug, zorgvuldig, voorzichtig. Ze kijkt de kamer rond, probeert haar adem te bedaren, haar ogen even dicht, inademen, uitademen, ruimt even op, fuck fuck fuck, draait het nummer van haar ex, nog eens, nog eens, hij neemt niet op. Dan – verdomme, wie zou er al wakker zijn, nog geen elf uur, haar moeder misschien, geen antwoord.

Ze wacht zonder te huilen, voelt haar ogen staren, Wat heb je toch L denkt ze, bedaar, kalm, kalmte alleen kan je redden glijdt haar hoofd binnen, misschien is het waar. Ze kijkt naar de klok, wanneer is hij terug, wanneer is hij terug. Ze zet haar ontbijt weg, spoelt mes en bordje en beker af, droogt af, gooit het klokhuis weg, kijkt nog eens rond of ze iets heeft laten liggen, ze denkt van niet. Dan neemt ze toch nog een koffie, het zou vreemd zijn als het kopje niet vuil was, ze checkt, ligt er nog iets fout, nee, zo is het wel goed denkt ze. Ze gaat naar de badkamer en schrikt van haar rode huilgezicht, het is wel erg goed te zien. Ze steekt de spotjes aan voor veel en direct licht, probeert dan elke trek die haar kan verraden te bedekken – lipgloss voor een klein mondje, blush onder trieste blik, schaduw over rode ogen. Terwijl ze een normaal gezicht uitprobeert neemt ze zichzelf op. Bijna goed. Ze moet eraan denken haar blik naar beneden te houden, zo valt het nauwelijks op.

Wanneer hij aankomt is ze echt bijna rustig. Hij heeft broodjes in zijn hand, zijn neus voelt fris van de kou als hij haar kust, hij tatert dat het zo druk was bij de bakker en “god wat was dat een mooi meisje zeg L, je had moeten meegaan, die twee dochters zijn gewoon bloed-mooi, hier, de krant, ik heb croissants bij ook, wat lust jij graag, croissants of chocoladekoek?” “Maaknieuithoor”, mompelt ze, hij fronst even, ze herneemt. Open oogopslag, “Vanmorgen is ’t mij gelijk”, zegt ze, glimlacht breed maar haar mond wil niet helemaal mee voelt ze. Is er iets liefje, vraagt hij, neeuhh, zegt ze en keert zich om placemats te nemen en borden, haar rug verraadt vast minder. Ze eten, elk een stuk van de zaterdagkrant die hij bij zich had. Hij vraagt haar wat er is. “Niks Wtje, wat zou er zijn?” Hij leest verder. “Mag ik je zo noemen eigenlijk, kan je daartegen, “Wtje”?” Hij fronst en kijkt op van zijn krant. “Sjeez L… ‘t maakt mij echt niet uit hoe ge mij noemt”.

Sprookjes : Prinses ad infinitum

Sprookjes: Prinses ad infinitum

Kus mij zodat ik wakker word. De kist is koud en dat duurt zo al eeuwen, zo voelt het toch. In sprookjes kan dat. In het begin denk je dat het went, een glazen kist, rozenstruiken om je heen, liggen op brokaten lakens. Er zijn erger plekken om 100 jaar te slapen. Maar feeën ontwerpen hun decors voor het publiek, schoonheid gaat voor comfort. Het glas is broos en breekt bij het eerste lichte voorjaarsonweer als niets. De lakens jeuken en zijn kreukvrij maar hard van het stijfsel, verliggen kan niet, mag ook niet; prinses zijn schept verplichtingen. Eenmaal vervloekt, eenmaal in slaap lig je stil, zo wordt ons geleerd, ingelepeld door hofdames op dezelfde toon als ze ons 20 schakeringen révérences en soorten hoofdneigingen bijbrengen. Minzaam, verveeld.

Misschien kan ik zelfs niet bewegen. Ik heb het nog niet geprobeerd. Mijn roerloosheid is pure discipline, makkelijk is het niet. De rozen gedijen en geuren uren in de omtrek, dat trekt beestjes aan. Ja, mooi, zo ziet het eruit, wacht maar tot je hier ligt. Dat kruipt en kriebelt, nectar zuigend, ik hoor roerloos met gesloten ogen hun achterlijfjes op en neer gaan, zo stil is het hier. Hun bewegingen maken mijn huid het centrum van mijn lichaam, copulerend op mijn boezem, bliksemsnel, om dan ergens te gaan eieren werpen en sterven, het duwt me met de neus op mijn eeuwige rust, welja, ik verveel me nu al dood.

De spinnen zijn geduldiger en trager. Ze blijven en weven, spinnen draden vanaf het puntje van mijn neus, mijn vingers – die galant en afwachtend sierlijk op mijn buik gevouwen zijn, comme il faut – mijn tiara, mijn wimpers. Ze wachten geduldig, zoals ik, maar ik ben de prooi, zij de jager. Ik ben het beestje in hun web. Ach nonsens, ik laat hen even koud als een boomstronk, hun leeggezogen insectenkarkasjes hopen zich op boven mijn hoofd, twijgjes waaien in de webben, ik moet er intussen lief uitzien. Appetijtelijk voor zo’n prins.

En dan? Alsof die eeuwen incest, neven met nichten, en hun kinderen weer gekruist als raspaarden, -honden, -katten, ze koppelen broers aan zussen in hoge nood, de kerk sluit zijn ogen en krijgt in ruil een kathedraal gebouwd, voilà, en binnen een paar jaar werpt de jonge mevrouw nageslacht lelijk als de nacht, kromme neuzen, voorhoofden als serveerschalen, om van erfelijke ziekten nog te zwijgen. Nou ja – ik heb zelf niet te klagen. Maar ik vroeg het me als klein meisje af, wanneer ik ze zag defileren aan het hof, weer een staatsiebezoek, en de statige lelijkheid sleepte zich in langoureuze drommen voort langs de troon, en ik maar verveeld en verschrikt steeds verder wegzakken in het fluweel van mijn zetel, ik wist wel dat ze me al keurden voor later. Waar haalden betoverde prinsessen hun fabelachtige schoonheid vandaan? Waren de dapperste prinsen de knapste? Aan het hof niet; hoe onverschrokkener, des te meer afgehakte ledematen, dichtgebrande ogen en bezaaid met littekens. Loog mijn sprookjesboek dan? Dat was wel het waarschijnlijkst. Ik nam me voor, pretentieus klein wicht, selectief te zijn als ik het tot een betovering schopte.

Tegenwoordig: principes overboord. De eerste die me ontdekt hier in dit onvindbaar vervallen slot en het nog aandurft me te kussen na jaren zonder dagcrème of zelfs een simpel bad, al dat ongedierte en een uitdrukking van onsterfelijke verveling op het gezicht, het kan aantrekkelijker, die heeft en krijgt me, punt. Ik voeg me zonder morren en koerend als één van die vale stinkende duiven hier - breek me de bel niet open - aan zijn zijde, naar zijn grillen en in zijn bed. Voor mijn part is hij tandeloos, stinkend naar oud zweet en loopt met aangekoekt verroest bloed op zijn harnas en huid, wat geeft het als ik hier maar kan ontsnappen, zelfs de eeuwige geur van rozen gaat vervelen.

Ik lig hier al zo lang dat ik zelfs niet meer weet of ik slaap of waak. Misschien heb ik geleerd in mijn slaap te denken, zo lang als het al duurt kan dat vast wel, wie heeft er ooit zo lang tussen droom en slaap gehangen? De geredde prinsessen hielden trouwens altijd iets ijls. Ik zie ze nog als koningin, lege ledenpoppen kaarsrecht op hun troon, lege ogen, roerloze blik. Ze dragen hun kroon, gewaad, hun troon, het hele paleis en al het gekrioel erin, hun rijk zelfs, als kleren op een mannequin. Met een vermoeide glimlach en geloken wimpers laten ze het gedreun over zich heen komen en hun gestes zijn in alles een factie te laat, wanneer ze hun hand reiken voor een kus of zich glijdend over de gepolijst marmeren dansvloer laten slepen. Ze worden verontschuldigd en genegeerd als discrete alcoholici. Iedereen houdt het fatsoen als hun eten onderweg van de vork valt en ze onverstoord traagweg lucht kauwen – maar er is geen drug te verstoppen en hun leegte maakt ons bang. Er hangt iets onheilspellend magisch over hen heen, alsof ze dood leven.

Misschien word ik zo’n levende dode. Als ik geluk heb. Het kan al te laat zijn. De 100 jaar zijn verstreken en niemand vond dit wespennest, of gaandeweg is mijn mythe vervaagd tot niemand me meer zoekt of zelfs herinnert. De betovering is vervlogen en ik verouder weer, gestaag, tot ik inval, mijn vlees wegkrimpt van mijn gewaad dat op jeugd en curven gesneden is. Ik verschrompel als een appel tot ook mijn huid verbrokkelt en ik wegval tot beenderen, die evengoed tot stof vergaan. De rozenstruiken en insecten vreten het brokaat en mijn kleed, tot alleen de tiara en kroonjuwelen intact en overwoekerd achterblijven. Misschien is het al zover. Mijn geest wil niet geloven dat mijn lichaam is weggeteerd als een groteske parodie op spookpijn, een lichaam dat er niet meer is.

Misschien ben ik er niet. Wie weet. Ik blijf liggen, geduldig. Roerloos. Glas, struiken, rozen, brokaat en edelstenen. Ik wacht.

August 08, 2006

Pillow Book: Zachter

Pillow Book, 2006-08-06

Nu schijn ik dus echt beter te worden. Vandaag voor het eerst echt naar mezelf gekeken in de spiegel. Mijn handen glijden over mijn lichaam. J’suis différente. Ik ben zachter.

Ik eet als een konijntje, maar ben met al dit stilliggen toch een beetje bijgekomen. Niet veel, twee kilo. Op mijn lichaam, dat zo meedogenloos atletisch scherp stond, tekent elke fractie zich meteen af. Op mijn heupen houden mijn vingers verbaasd halt. Het is jaren geleden dat ik daar een laagje voelde. Mijn taille heeft een centimeter vet. Het is nauwelijks iets, maar van niets naar iets is een wereld verschil. In mijn décolleté en op andere rondingen, daar zie je het. De blik van een vrouw wordt microscopisch als ze op haarzelf gericht wordt.

August 05, 2006

Pillow Book: Ik heb vanavond met zinnelijk genot

Pillow Book, 2006-08-05

Ik heb vanavond met zinnelijk genot die fameuze biografie afgemaakt in de twee betekenissen van het woord. 't Voelde als de gekookte langoustineschaar kraken, en er de jus en met een beetje geluk het vlees uit zuigen. Het was even krakend sensueel om dat stuk nonschrijven in de literaire vergetelheid te reviewen. Nu neemt de moesson in mijn hoofd weer over met vol bezit van mijn geest: tintelende huid, moe, tropisch klimaat.

August 04, 2006

Pillow Book: Ongemengd zwemmen

Pillow Book: 2006-08-04

Bij ons was het ongemengd zwemmen. Daarop werd nauwlettend toegezien: in de rij naar het zwembad, in de rij terug, en onderweg werden we een keer of drie geteld op voltalligheid. Verder waren er geen uitstapjes buiten het internaat. Het zwembad zelf was aan de overkant van de straat, de nonnetjes hebben vast gelobbyd over die veilige plaatsing onder hun superviserend oog. Zou er in België ergens nog een zwembad zijn bovenop een berg, op een steile helling? Achter dat zwembad van ons, alleen heuvels zand. We gingen er roken toen we 13 waren. Voor mij meer om de sfeer dan om de sigaretten. Lise zei dat ik op een jaren '30-filmster leek als ik rookte en liet voor het eerst in mijn leven de naam Dietrich vallen, en toen Garbo. Haar vriendinnetje keek vuil.

Mijn geschiedenislerares - en nog een paar andere met een préférence for alles dat zich wat buiten de paadjes gedroeg - schreef me talloze briefjes voor opzoekingswerk in de gemeentelijke bibliotheek, met een wufte knipoog en een "doe niet wat IK zou doen" naar me. Maar ik was een laatbloeier en een wat wereldvreemd internaatsmeisje - Lise en ik gingen onderweg alleen onderweg een framboise drinken met een buitenmaats gevoel van overtreden en kenden zo op 16 al elke brouwerij die ergens in Groot-Dilbeek leverde. We kenden mekaar voorkeur (Cantillon, dat sater-met een griet-op-zijn-schoot label, met een zoetje intussen ipv een veel poëtischer klontje, maar nog steeds met ster bovenaan).

Half om het etiket, trouwens. Want door alles zo nauwkeurig in een steriel licht te houden - en dat begrepen die nonnetjes niet - kreeg mijn soort meisjes, met van nature al een penchant daarvoor, zo’n extra ontwikkelde hang naar klein verboden genot for the sake of it, een gevoeligheid voor the senses, en het talent om lichte decadentie te zien in de ordinairste dingen.

August 03, 2006

Pillow Book: Voedsel voor de goden

Pillow Book: 2006-08-03

Suikerwafels zijn voedsel voor de goden - klonten halfgestolde suiker in een deeg zo loom dat het woord voedingswaarde pas als allerlaatste referentie opkomt, en dat dan in een vorm geperst die aan een honingraat doet denken, druipend bijna, als de suiker niet gekristalliseerd en een beetje verbrand was.

Toen ik drie was : die verbrande suiker als we de eerste winter elk weekend terugspoorden naar mijn grootouders. Het was mijn eerste stuk Brussel sinds het moederhuis van Anderlecht, alles zo grijs en steen dat het me opviel, fascinerend na al dat eindeloze groen, die overaltegenwoordige natuur, het leven op de seizoenen. Hier waren niet eens seizoenen, het was overdekt en er waren metalen stemmen uit nergens, hoe wonderlijk - en dan wanneer we de gang naar de perrons doorgingen al een binnengewaaide streek miezelregen en die geur van verbrande suiker in deeg. Oh. Dat moet mijn eerste suikerverliefdheid zijn geweest - niet eens chocolade, maar die geur, een beetje vuil en overdadig en zelfs in geur zo onherroepelijk smeltend.
Mijn moeder nam er wel eens een en dan mocht ik proeven. Ze waren nooit zo lekker als hun geur.

August 02, 2006

Pillow Book: Er is alleen radioactiviteit ingespoten

Pillow Book: 2006-08-02


Morgen ga ik naar de specialist, daar hoor ik wat er aan de hand is. Voorlopig heb ik alleen radioactiviteit ingespoten gekregen. Het is toch wel erg schilderachtig. Daarna is er een scan gemaakt op een indrukwekkend roterend apparaat met het liefste verpleegstertje ter wereld. Ze vond het heel erg vond maar me niks mocht vertellen. Dankzij pillow talk met een kernfysicus weet ik ook wel dat een doodgewoon "plaatje" veel en veel gevaarlijker is, en in vergelijking werkelijk geen sinecure. Maar het idee blijft erg tot de verbeelding spreken; dat je op een monitortje je eigen lichaam opeens binnenin in highlight ziet, kan volgen hoe wonderlijk al die banen op mekaar aansluiten, dat het misschien werkelijk waar moet zijn dat we zo in mekaar zitten. Zoals ik me ook voorstel op een dag te denken "verdorie, dat absurde verhaal over waar de kindjes vandaan komen is ook al waar".
Plus de nouvelles bientôt. Morgen.